Tuesday 7 October 2008 (23:27) - Posted in Photography, Travel | No Comments »

Het is misschien wat extreem geformuleerd, maar toch: het aantrekkelijkste van Berkeley is wat mij betreft het uitzicht vanuit Emeryville op de San Francisco baai en gelijknamige metropool. Niet echt flatterend voor de stad zelf.
Het begon al onderweg, tijdens die stralende namiddag drie zondagen geleden. Door een interpretatiefoutje van de wegwijzers op een snelwegknooppunt sukkelde ik de verkeerde tunnel in met uiteindelijk een halfuur omweg tot gevolg. Eens aangekomen in Berkeley werd het er niet beter op. Het verkeerssysteem is een redelijk zootje. Vlot navigeren zonder copiloot is quasi onmogelijk, om maar te zwijgen over het vinden van betaalbare parkeerplaats. Het was de allereerste uitstap dat ik niét met een brede grijns van mijn autoritje genoot.
De efficiëntie en kinderlijk gemak van het dambord van dicht opeengepakte straten wordt immers vakkundig om zeep geholpen door de slecht leesbare en goed verstopte straatnaambordjes.
Zelfs de grote verkeersassen met een lokaal highway-nummer (meer hoofdstraat zijn is moeilijk) zijn amper aangegeven op de kruispunten.
Verschillende keren miste ik mijn exit. De meest logische oplossing - het volgend kruispunt afslaan en keren - was helaas meestal geen optie. Want nét in die zijstraat is er éénrichtingsverkeer, of heeft Murphy himself een kanjer van een verkeersbord neergeplant. Het mag een wonder heten dat ik na mijn avondlijke expeditie maar 2 minuten te laat belandde in het restaurant dat ik had geboekt.
Ook het stadscentrum zelf kon mij maar matig bekoren. De beroemde Telegraph Avenue, volgens de reisgidsen een charmante en studentikoze buurt met een oase aan boekenwinkels, bleek bij doortocht per auto een waar Disneyland voor hippies. Akkoord, de boekenwinkels zijn er, maar zitten goed verscholen. De voetpaden zijn bezaaid met kraampjes vol psychedelisch gekleurde t-shirts, sieraden en kilo’s wierookstokjes, waartussen Jan-Piet-Joris-en-Korneel types rondhangen of de wondere wetenschap van de dissonante gitaarakkoorden exploreren. Ik had genoeg gezien - en bovendien mijn geitenwollensokken niet bij.
Tot slot is er de universiteit: de befaamde en beruchte UC Berkeley. Weinig instituten hebben zoveel Nobelprijzen in de wacht gesleept (hun teller staat intussen op 20). Ik moet toegeven, de campus levert soms charmante plaatjes op, en het uitzicht vanuit de iconische Sather klokkentoren is fantastisch. En toch, de groove die er hangt mist naar mijn gevoel gezelligheid, en het hele ding voelt ietwat raar en artificieel. Het zou misschien een domme carrièrezet zijn, maar de kans is erg groot dat ik voor een uitnodiging zou passen.
Meer dan ooit tevoren ben ik heel blij dat ik in de kleine broer van de UC ben beland. Oost West, Santa Cruz best…
PS: diezelfde zondag heb ik eerst nog een tussenstop gemaakt in Wente, een wijnmaker uit Livermore.
Ook daar zijn foto’s van.